Circusleven. #13.

Ik weet nu waar de ontbrekende puzzelstukjes heen gaan.

Maanden tegenaan zitten hikken – in een middagje voor elkaar. Gaat het niet altijd zo? De administratie is eindelijk op orde. In nieuwe ordners, met nieuwe markering (Huishoud, Huis, O&O), met nieuwe tabbladen. En ik ben weer gemotiveerd.

'Ootje? Bouwen. Helpen?' Ocker staat bij Otis en wacht geduldig een antwoord af. 'Sorry lieverd: je broer is nú nog meer van het kauwen, dan van het bouwen.' (Otis krijgt soms een halve treinbaan aan rails over zich uitgestort: 'Spelen!')

Ocker is een zachtaardig, lief jongetje – op het verlegene af. Tegelijk zie ik steeds meer pit en vuur in hem oplaaien. Hij komt voor zichzelf op (oefent zijn boze blik), en hij doet wat hij best eng vindt toch maar mooi.

Aankoop, deze week gedaan:

Ik houd van kneuzenvaasjes. Zo'n klein ding waar hooguit één bloem in past: de geknakte steel uit de bos – de kneus. Die je anders weg zou gooien. Kneuzenvaasjes belanden bij mij op het bureau, of op de stortbak van het toilet. (vaasje 'Blob', Hema, mondgeblazen, 100% gerecycled glas)

Muziek, deze week ontdekt:

De categorie Circusleven bevat een opsomming in willekeurige volgorde van al die kleine, soms dagelijks terugkerende zaken – waar je om grijnst, waar je door getroffen wordt, maar waar je niet snel een foto van schiet.
Kunst en spel wordt het, dat wél te doen.

Meneer Weick bakt zoete broden.

Hoe fijn is het, om wakker te worden met de mond van je geliefde bij je oor, die fluistert:
‘Zal ik Ocker naar de peuterspeelzaal brengen?’

Oooh, dat betekende uitslapen voor mij. Op een moment waarop ik niet veel méér puf had dan om te knikken dat dat goed was.
Mijn armen voelden zwaar. Tintelden wat.
Opgestapelde vermoeidheid.
Nog even kunnen blijven liggen.

Wat ben je dan gezegend met een baby die het – met papfles – voorlopig ook nog wel fijn vertoeven vindt in zijn bed.

Word wakker, kom beneden en snuif de geur op van… brood wat op je eigen aanrecht wordt gebakken. Zo mogelijk verliefd zijn we, op de broodbakmachine die Marnix bij de kringloopwinkel vond.

Lief briefje met aansnijdaanwijzingen aan het kastje.

Ik denk dat ik weet waar dit vandaan komt.
Meneer Weick kwam gisteren later thuis van zijn afscheidsfeestje met collega’s dan ingeschat. Een paar uur maar.
Meneer Weick bakt zoete broden.

En ik eet het.
Het is gunnen – besef ik weer.
En ik heb spijt dat ik toch wel wat nukkig reageerde bij zijn thuiskomst.

Het werkte niet, tussen ons.

Met hun zoon heb ik al jaren geen enkele vorm van contact meer.

Hij offerde zich al levend op voor de wetenschap, stond aan de voet van de nanodraadjestechnologie – en daar zal ik altijd trots op zijn.

Tegelijk ontdekte ik in de vele uren alleen in onze flat in Hoograven dat Utrecht te veel een maalstroom was voor mij. Dat ik niet alleen in mijn woonplaats niet paste, maar ook niet in het leven dat al zeseneenhalf jaar van mij was, zonder dat ik het ooit zelf in handen had.

Op een zondagochtend vroeg ik het aan hem.
(Hoe kon ik de vrouw zijn van een natuurkundige terwijl ik mezelf naast een kunstenaar zag? Naast. Niet in de schaduw levend van. (Ik leef zo op bij zon.)
Bij tijd en wijle uit mijn tuinhuis overwoekerd met pioenrozen – waar ik zou schilderen, beeldhouwen, schrijven) – getrokken worden, in een nette jurk gehesen, omdat ik aan de arm moest lopen als Vrouw Van.
Zo zag ik dat voor me. Het vloog me naar de keel.)
‘Hoe maak je het uit met iemand, na zoveel jaar?’

Het bleek verbluffend simpel.
In alle vermoeidheid, vragen of hij vanavond nog weg wil gaan.

Bij benadering zes jaar verder, in de stad waar ik vrij vlieg tussen de andere paradijsvogels en kaketoes, doen enkele zaken mij dagelijks denken aan mijn ex-schoonouders.
Niet aan hun zoon.
Niet aan onze verkering.
De apen en de prullenbak stonden op zijn jongenskamer, en verhuisden met zijn…, onze…, uiteindelijk mijn inboedel mee. De deken werd in de jaren zestig gehaakt door de moeder van mijn ex-schoonvader: voor haar jongste zoon.
Ik vind het mooie gegevens.

Als ik een paprika snijd denk ik aan barbeques.
Als ik Ocker of Otis op schoot heb laat ik hen hobbelen en zing ik een liedje wat mijn ex-vriend mij leerde, en waarvan hij zei dat het voor hem als jongen gezongen werd:
Konstant liep het hobbelpaard, zonder kop en zonder staart, zo liep hij de wereld rond, zomaar in zijn blote kon… stant liep het hobbelpaard…

Carnaval in de stad. Wij in de uiterwaarden.



Niet helemaal wat ik voor ogen had toen ik tegen Ocker zei: 'Misschien zien we nog een gans in de uiterwaarden.'

'Stenen!'

Gaan we richting het centrum om de staart van de carnavalsoptocht achterna te lopen, of lopen we de straat uit naar de uiterwaarden?
De neuzen stonden dezelfde kant op.
En pal in de wind.
Die tranen uit mijn ogen trok.

Ik vind het altijd zo mooi: het pistachegroen van het gras wat wekenlang onder water heeft gestaan.
De wapperende vlas’dekens’ aan het prikkeldraad.

Ocker ontpopte zich als jutter.

Wat zuur toch, voor de thuisblijver.

Ten dans.

Na het eten zet de wijn muziek op.
Dansmuziek.
Zelf ben ik klaarblijkelijk tijdelijk vergeten dat je zorgen van je af kunt dansen.

Marnix ruimt met de heupen swingend de vaatwasser in, Ocker volgt mijn voorbeeld.
Met uitgestrekte armen komt hij op me af gerend: ‘Mama! Dansen.’
Hij danst met mij, draait een rondje of twee en vraagt dan ook anderen ten dans. VanderLubbe, zijn kleurboek,  – hij opent de gangkast –, de stofzuiger. ‘Hee! Dansen?’

Circusleven. #12.

Otis (ver)draagt niet meer dan één sok tegelijk aan zijn voeten. We geven de sokkenstrijd op. (Geluk zit 'm ook in: het babypak van je jong tevens in maat 80 kunnen vinden.)

Lunch en avondeten zijn extra aangenaam sinds hij aanschuift.

Ik zit met twee jongens aan tafel in wiens ogen je de rottigheid kunt aflezen. Die stukken brood in hun mouw schuiven en vooral oog en oor hebben voor elkaar.

Twee sneeën brood voor Otis Broodwolf.

Wanneer onze huismerel de staat van het achtergelaten zomerverblijf komt inspecteren weten wij: nu komt het voorjaar. ('Ja. Sorry. We hebben de tuin nog niet aan kant.')

Otis ligt vaak op de bank. Een fles leeg te slurpen. Ocker had bedacht, dat dat ook best in treinvorm kan.

Ik moest grinniken, toen ik terug las wat ik kwaad had neergepend – en onder de ruitenwisser van een volslagen lomp geparkeerde auto had willen klemmen: de ergste kwaadheid om zoveel asociaal gedrag was alweer weg. Ik besloot de uitgelokte reactie bij me te houden. Te verfrommelen tot prop. Laat maar.

Aankoop, deze week gedaan:

De illustratie schoot recht bij me naar binnen. Waarschijnlijk omdat het me aan Otis doet denken. (kaart, Hadaya, Amersfoort – lijstje, Hema)

Muziek, deze week ontdekt:

Met Green Grass heb ik Tom Waits leren proeven, eten, waarderen.
Omdat hij dit juweel coverde kwam ik bij Joshua James en zijn oeuvre terecht.
En nu dit:

De categorie Circusleven bevat een opsomming in willekeurige volgorde van al die kleine, soms dagelijks terugkerende zaken – waar je om grijnst, waar je door getroffen wordt, maar waar je niet snel een foto van schiet.
Kunst en spel wordt het, dat wél te doen.